Hoe dril je een roofvis?

29-03-2012 | Artikelen | Roofvis | Schrijver: Ingmar Boersma

Tja, wat een vraag. Veel mensen praten en schrijven over hoe je roofvis moet vangen, maar het mooiste van alles, de dril, wordt maar weinig besproken. Gewoon de lijn strak houden, zorgen dat je slip goed is afgesteld en waar nodig hier en daar proberen bij te sturen, dat zijn zo’n beetje de adviezen die her en der gevraagd en gegeven worden. Toch valt er mijns inziens nog wel iets meer over te vertellen, wat vooral de vis ten goede kan komen. Niet onbelangrijk dus!

Hoe dril je een roofvis?
Hoe dril je een roofvis?


In dit betoog zal ik niet ingaan op trucjes om zo min mogelijk vis tijdens de dril te verspelen of hoe je ze het beste kunt haken. Daarover is al genoeg gezegd en geschreven door mensen die dat veel beter weten dan ik. Nee, mijn interesse voor dit onderwerp vindt zijn oorsprong in het feit dat ik me afvroeg waar het verschil in gedrag tijdens de dril van de diverse roofvissen vandaan komt. Ik heb nog wel eens een snoek die tijdens de dril gaat springen. Toen ik het geluk had hiervan een mooie “live”-fotoserie te kunnen maken, besloot ik op onderzoek uit te gaan naar waar dit gedrag vandaan komt en waarom andere roofvissen in ons zoete water dit niet doen. Ik nam contact op met Sportvisserij Nederland en sprak over dit onderwerp met Marco Kraal. En dat gevoegd bij mijn eigen praktijkervaringen leverde me dit een aardig relaas op.

 

Snoekbaars en baars

In dit artikel beperk ik me even tot de snoek, snoekbaars en baars. Simpelweg omdat ik daar zelf het meeste van weet uit ervaring en omdat hierover in relatie tot elkaar daarom wat makkelijker iets te zeggen valt. Baars en snoekbaars zijn beide vissen die, veel meer dan de snoek, in scholen leven en ook in scholen jagen. Behoudens natuurlijk de ècht grote en meer solitair levende exemplaren. Ook hebben ze een voorkeur voor meer troebel water. Dit geldt overigens vooral voor snoekbaars, baars handhaaft zich ook uitstekend in helderder water. In het algemeen kun je zeggen dat baars en snoekbaars veel gelijkmatiger jagers zijn waar het om zwemmen en daadwerkelijk jagen gaat. Ze achtervolgen bijvoorbeeld een prooi of een school prooivissen. Daardoor zijn ze regelmatiger en meer constant in beweging. Ook als het om aas eten gaat, is vooral snoekbaars een vissoort die, meer dan de snoek, de omgeving af stroopt op dode vissen. Het is niet voor niets dat in vroeger tijden menigeen met een stukje vis of een dood visje ging vissen en hiermee vooral snoekbaars (en paling) ving. Dit gelijkmatiger zwemmen dan bijvoorbeeld de snoek vindt je ook terug in de dril van snoekbaars en baars. De dril van deze vissen zal een veel constanter gevecht opleveren. Snoekbaars en baars blijven, gedurende de dril, min of meer constant door knokken. Bonken op de hengel van de snoekbaars en de baars mogen nog wel eens spetterend het oppervlak ranselen. Je kunt dan ook in de dril, nog voordat je de vis gezien hebt, al vrij aardig inschatten of je een snoekbaars, baars of een snoek aan de lijn hebt.

 

Foto2

Een kanjer van een baars van 50 cm gaf zich na een leuke dril gewonnen

Snoek

Met de snoek is het een iets ander verhaal. Iedereen die iets van roofvissen af weet is wel op de hoogte van het feit dat snoeken hun prooi grijpen door ze onverhoeds met een “schot” te verrassen. Een snoek staat dus ergens stil. Tussen de planten, achter een taluudje of waar dan ook maar. Dan ineens schiet hij als een pijl uit een boog op een voorbij zwemmende vis af. Zo’n schot gaat ongelooflijk snel. De snoek kan hierbij een snelheid van wel 40 km/uur halen en dat is, zeker onder water, een hele prestatie (de versnelling van een snoek in het eerste deel van zijn schot ligt hoger dan een F16!). Voor het lossen van zo’n schot heeft een snoek behoorlijk wat kracht en energie nodig, maar de natuur heeft hem daar ook op gebouwd; slank en gestroomlijnd. Omdat de snoek zelden – uitzonderingen daargelaten – niet achter zijn prooi zal aan jagen door hem te achtervolgen, kun je de snoek zeer zeker als sprinter kwalificeren. In extreem helder en voedselarm water met minder oeverlengte, zoals sommige Ierse en Scandinavische meren, kunnen snoeken ook in groepen op prooivis jagen, maar dat zijn in ons land dus uitzonderingen.  Omdat ik tijdens diverse vakantietrips ook wat ervaring heb mogen op doen met “big game”-vissen, bekeek ik eens een film over dit onderwerp. Hier kwam de zeilvis in beeld waarbij als commentaar geleverd werd dat de zeilvis een sprinter en geen stayer is. Dat geldt ook voor de snoek. Het houdt in dat de snoek maar een beperkt uithoudingsvermogen heeft om zijn sprint vol te houden. Ook dit merk je weer in de dril van een snoek. Kleinere snoeken geven nog wel aardig fel partij, maar ik merk al vrij snel als ik een forse snoek aan de haak heb geslagen. Het begint met even stevig verzet, waarbij je natuurlijk onmiskenbaar voelt dat er een aardig gewicht aan je lijn hangt. Vervolgens wordt de dril bepaald door af en toe een woeste uitval met tussenliggende perioden waarbij de vis min of meer stil in het water hangt en zich naar de kant of boot laat dirigeren. Die korte uitvallen zijn dus de sprintjes die de snoek iedere keer trekt. Ik heb zelf ervaren dat ik de snoek nog wel eens aan het springen kreeg als hij vlak bij de boot was. Ik voerde dan de druk op om de vis te kunnen landen. Als de vis daar echter nog niet aan toe is, komt het niet zelden voor dat er weer een sprint volgt. Omdat deze sprint nu in het oppervlak plaatsvindt leidt dit tot een fraaie sprong. Het is dus puur het sprintgedrag van de snoek dat hem zo anders maakt in de dril en wat er voor zorgt dat hij af en toe een sprong maakt.

 

Foto3

Een moe gestreden meter snoek poseert voor de foto

Belangrijk: Energie

Iedereen kan zich vast en zeker voorstellen dat de sprint van een snoek de vis erg veel energie kost. Hij knalt er vandoor en geeft daarbij 100% van zijn krachten. Hoe groter een snoek wordt, hoe zuiniger hij met zijn energievoorraad zal om gaan. Dit komt omdat een grote snoek per keer dat hij eet een flinke hap naar binnen zal moeten werken. Of hij moet een grotere vis pakken of veel kleintjes. Natuurlijk mist hij er weleens eentje en als ieder schot zoveel energie kost, kan hij zich dat eigenlijk niet veroorloven. Veel kleine prooivis pakken is een tijdrovender en lastiger klus dan één grotere vis, maar net zoals voor ons sportvissers geldt dat grotere vissen moeilijker te vangen zijn, geldt dat ook voor de snoek. Grote vissen zijn schuwer, daarom zijn ze ook zo groot geworden en ze zijn simpelweg minder talrijk. Daarom ook zal in het algemeen gelden dat vooral kleinere snoeken meer levende vissen pakken, terwijl de grotere exemplaren zich ook meer richten op dode aasvis. Enerzijds komt dat dus door het sparen van energie, anderzijds door het feit dat een snoek, gaandeweg zijn leven, een minder effectieve jager wordt. Dit verklaart tevens het feit dat dood aas niet zelden de ècht grote exemplaren op de kant brengt. Een ander feit is, en dat vind ik als snoekvisser zeker zo belangrijk, dat snoeken tijdens de dril dus zoals gezegd korte sprintjes trekken die erg veel energie kosten. Bij zo’n sprint knalt de snoek er furieus vandoor en hij overbelast zichzelf daarmee enorm. Het is dan ook belangrijk voor het welzijn van de snoek dat wij als vissers de dril niet langer laten duren dan strikt noodzakelijk is. De snoek put zichzelf uit en zo lang je hem maar in het water laat liggen, zullen steeds opnieuw uitvallen volgen. Wel met langere tussenposen, maar op den duur zal de snoek zich dood vechten. En als er iets niet de bedoeling is, dan is het dat wel. Dril een snoek dus vlot en stevig, zodat je hem weer gezond kunt terug zetten. Dit geldt hoe langer hoe meer als het water warmer is. Warmer water bevat immers minder zuurstof dan koud water en met minder zuurstof heeft de snoek minder kans om te herstellen. Uitgebreide foto- en videosessies van snoeken tijdens zomerse temperaturen zijn mijns inziens onverantwoord. In de afgelopen zomer heb ik dan ook, tijdens de warmste maanden bij een erg hoge watertemperatuur, de snoek even links laten liggen om me op andere visserijen te concentreren.

 

Foto5

De furieuze uitvallen worden aan het einde van de dril steeds minder

Ingmar Boersma

Deel deze pagina